► -Best New Games
► -Gewichtige
lichamen: lichaamsbeleving en eetstoornissen
► -Waargenomen
competentie, verschilscores en globale zelfwaardering
► -School is fun
at recess : informal analyses of written language for students with
learning disabilities
► -Toward an
understanding of developmental coordination disorder
► -Discourse
complexity of college writers with and without disabilities
► -Construct
validity of the test of gross motor development : a cross-validation
approach
► -Writing and
reading: connections between language by hand and language by eye
► -Ouder-kindinteracties
in gezinnen met een kind met adhd.
► -Sport- und bewegungstherapie mit
depressiven patienten
BEST NEW GAMES
Le Fevre D.N.
(2002). Human Kinetics: Champaign.ISBN: 0-7360-3685-7, 217 pp.
New games zijn reeds langer in onze contreien bekend. Dit boek is samengesteld door niemand minder dan de directeur van New games International.
Het boek zelf is opgedeeld in zeven hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk wordt de achtergrond van de New Games geschetst, hoe ze dienen aangebracht te worden, hoe we ze kunnen aanpassen en hoe we nieuwe spelen kunnen creëren.
In hoofdstuk twee worden zevenenzeventig verschillende spelen en zeven oefeningen op vertrouwen onder verschillende hoofdingen geplaatst en wordt een overzicht geboden om zo het gepaste spel voor de gepaste situatie te vinden. De gebruikte hoofdingen zijn: het activiteitniveau van het spel, wanneer het spel te kiezen (bij aanvang, midden, einde van een sessie), het minimum en maximum aantal spelers, benodigd materiaal of ruimte, speciale sociale doelstellingen van het spel, benodigde vaardigheden of vaardigheden die via dit spel ontwikkeld kunnen worden (samenwerking, probleem oplossend gedrag,...reactiesnelheid, kruipen,...), spelen die het curriculum ondersteunen (geheugen, taal, ..., wiskunde,...) en tenslotte spelen waarbij gebruik gemaakt wordt van liedjes. Dit alles wordt in een ‘game finder’ met opgave van de bladzijden waar het spel beschreven wordt, alfabetisch weergegeven.
In de volgende vier hoofdstukken kiest Dale Le Fevre er voor om de spelen te groeperen volgens activiteitniveau en in een laatste hoofdstuk plaatst hij dan de oefeningen op vertrouwen. Elk van de spelen wordt op een systematische wijze besproken. Eerst wordt het aantal spelers aangegeven, vervolgens wanneer het spel best gebruikt wordt, en dan volgt een spelbeschrijving. Veiligheidsinstructies, geschikte leeftijd, benodigd materiaal, benodigde ruimte en tenslotte een opsomming van de ontwikkelingsvaardigheden ronden het geheel af. Om dit alles te visualiseren maakt hij uitgebreid gebruik van overzichtelijke zwart-wit foto’s.
Sommige van de geciteerde spelen zijn niet onbekend, maar het kan verhelderend zijn, te zien welke variaties er van bestaan en of welke ontwikkelingsvaardigheden er mee kunnen bereikt worden. Het kan de practicus nieuwe ideeën en een nieuw elan geven in het werken met een groep. Opmerkelijk is dat op het einde van het boek gealludeerd wordt op reeds bestaande CD-roms, videos en boeken van de auteur maar dat er geen referenties en of bibliografie in verband met de spelen gegeven worden.
Een interessant boek, niet om van A tot Z ineens uit te lezen maar om op regelmatige tijdstippen in te grasduinen en of te raadplegen. Voor elkeen die met groepen werkt, of het nu in de vrije tijd sector, het onderwijs of de therapeutische sector is, een absolute must voor op zijn boekenplank te hebben.
Johan SIMONS
Na een theoretische beschrijving van de eetstoornissen en de rol van de lichaamsbeleving hierbij, gaat de redactie van dit boek over naar een kort hoofdstuk in verband met de het gebruik van modules in de therapie. De volgende drie hoofdstukken bevatten dan voorbeelden van dergelijke modules. In hoofdstuk 4 zijn dit modules gericht op de behandeling van de lichaamsbeleving. In hoofdstuk 5 ligt de klemtoon op de behandeling van een bepaalde doelgroep bv. anorexia nervosa, patiënten met ernstig ondergewicht, patiënten met vreetbuien, patiënten met een ernstig overgewicht.
Tenslotte wordt in hoofdstuk 6 de aandachtgericht op de prventie van een verstoorde lichaamsbeleving bij kinderen in de prepuberteit. De praktische uitwerking van deze modules wordt in bijlage 1 (ongeveer 20 blz) toegevoegd. In bijlage 2 worden concrete voorbeelden van gebruikte vragenlijsten eninterviewlijsten afgedrukt (ongeveer 30 blz). Het geheel wordt aangevuld met een verklarende woordenlijst waarin gehanteerde begrippen worden toegelicht. Tenslotte wordt in de de CD-Rom uitgelegd hoe de video-confrontatiemethode dient te gebeuren.
Het boek richt zich tot iedereen die begaan is met de behandeling van de gestoorde lichaamsbeleving bij patiënten met eetstoornissen. Naast de theoretische achtergrond van de verschillende benaderingen, die interessant is voor alle hulpverleners, wordt in een groot deel van het boek aandacht geschonken aan interventies zoals die in de psychomotorische therapie plaats hebben.
Een mooi verzorgd en vlot geschreven werk waarin de huidige stand van kennis in verband met lichaamsbeleving en eetstoornissen op een systematische wijze gepresenteerd wordt. In grote lijnen schrijven de twee redacteurs het ganse boek, slechts voor twee bijdragen doen ze een beroep op andere deskundigen.
Zeker positief is ook het grote aantal bronvermeldingen in dit boek. Na elk hoofdstuk wordt de specifieke literatuur aangehaald en het werk rond af met aanbevolen literatuur.
Dat in dit werk een aantal modules voorgesteld worden, dient ons niet te verwonderen en sluit aan de bij de in Nederland en stilaan ook in Vlaanderen tendens om dit soort kant en klare therapiepakketten voor te stellen. Deskundigen kunnen hierdoor terugvallen op bestaande know-how, maar de verleiding is groot om deze modules zonder meer te transponeren op de eigen patiëntenpopulatie, zonder zich daarbij nog vragen te stellen of de eigen populatie wel overeenkomt met die waarvoor dit programma ontwikkeld werd. Het voorstellen van een module is één, maar nog belangrijker is het aantonen dat deze of gene module werkt. Met andere woorden het effect ervan aantonen en dit is net het stuk waar het in dit boek niet over gaat.
Voor een aantal weergegeven vragenlijsten en interviewlijsten, waarbij telkens wel een bronvermelding staat, geldt dat de auteurs niets zeggen over de betrouwbaarheid en de validiteit van deze methoden. Bovendien worden een aantal instrumenten vermeld, die hier in Vlaanderen reeds lang naar het antiquariaat verhuisd zijn. Tenslotte nog een kleine praktisch bedenking, die vermoedelijk aan mijn toestellen ligt of aan mijn exemplaar, maar het geluid op de CD-Rom klinkt zeer zwakjes en is haast onverstaanbaar.
Johan SIMONS
Volgens Harter (1985) zijn waarnemingen van schoolse competentie, gedragshouding, aanvaarding in de groep, fysiek voorkomen en atletische competentie specifieke domeinen die verband houden met de globale zelfwaardering van schoolgaande kinderen.
De competentie-motivatietheorie van Harter (1978, 1981) heeft onderzoekers een kader gegeven waarin ze de psychosociale aspecten kunnen bestuderen van kinderen die moeilijkheden ondervinden in het motorische domein. Studies laten zien dat kinderen met een laag motorisch competentieniveau eveneens lage waarnemingen van hun atletische competentie hebben en dat een laag motorisch competentieniveau daarnaast ook van invloed is op andere domeinen van de zelfwaardering en de globale zelfwaardering.
Volgens Harter zullen enkel die domeinen waaraan belang gehecht wordt de globale zelfwaardering beïnvloeden. Harter gebruikt verschilscores gebaseerd op het verschil tussen de waargenomen competentie en het belang dat gehecht wordt aan een domein (belangscores) om zicht te krijgen op het effect hiervan op de zelfwaardering. Er zijn echter tegenstrijdige ideeën over het gebruik van deze belangscores in het voorspellen van de globale zelfwaardering.In deze studie wordt geprobeerd de onderliggende processen aangaande de vorming van de globale zelfwaardering van kinderen tussen de 8 en 12 jaar met hoge en lage niveaus van motorische coördinatie beter te begrijpen. Hiervoor werd er gekeken naar de verschillen tussen beide groepen met betrekking tot belangscores en verschilscores. De hypothese is dat kinderen met een lage score voor motorische coördinatie het belang van sport onderwaarderen om hun globale zelfwaardering te beschermen.
Daarnaast werd het verband onderzocht tussen globale zelfwaardering en verschilscores voor beide groepen. Een aantal modellen werd eveneens gebruikt om na te gaan wat de beste voorspeller van globale zelfwaardering zou zijn, waarnemingen van competentie, belangscores of verschilscores.
Aan deze studie namen 130 kinderen deel van 8 tot 12 jaar. De kinderen werden verdeeld in een groep met een hoge score voor motorische coördinatie (n = 62, 30 jongens en 32 meisjes) een een groep met een lage score voor motorische coördinatie (n = 68, 32 jongens en 36 meisjes). Hiervoor werd gebruik gemaakt van de ‘McCarron Assessment of Neuromuscular Coordination battery’ (MAND; McCarron, 1982).
De andere instrumenten die gebruikt werden waren de ‘Self–Perception Profile for Children’ (SPPC; Harter 1985) die de waargenomen competentie meet op 5 domeinen (schoolse competentie, gedragshouding, aanvaarding in de groep, fysiek voorkomen en atletische competentie) met daarnaast een score voor globale zelfwaardering en de ‘Importance Ratings and Discrepancy Scores’ (IRS; Harter, 1985) die het belang meet dat een kind hecht aan de 5 domeinen van de SPPC.
De resultaten lieten zien dat domein specifieke waarnemingen van competentie betere voorspellers waren voor de globale zelfwaardering dan de belangscores en verschilscores. Daarnaast was er geen significant verschil tussen de belangscores van de twee coördinatiegroepen, zelfs niet voor het atletische domein.
Opvallend was dat beide groepen gedragshouding en schoolse competentie belangrijker vonden dan de andere drie domeinen met daarnaast een negatieve verschilscore op deze domeinen. Dit duidt mogelijk op een externe invloed van significante anderen op kinderen in deze leeftijdsgroep.
Uit deze studie blijkt dat verschilscores geen directe indicators zijn voor het streven van kinderen om hun zelfwaardering te behouden. Om het gevoel van zelfwaarde in stand te houden zijn kinderen geneigd mechanismen te gebruiken op het vlak van fysieke activiteit.
Voor de groep met een lage score voor motorische coördinatie werd de globale zelfwaardering voorspeld door waarnemingen met betrekking tot fysiek voorkomen, gedragshouding en aanvaarding in de groep.
Voor de groep met een hoge score voor motorische coördinatie werd hier nog het domein van atletische competentie aan toegevoegd. Dit leidt tot de aanname dat motorische competentie een verschil maakt in hoe zelfwaarnemingen relateren aan globale zelfwaardering.
Kinderen met coördinatie moeilijkheden lijken hun globale zelfwaardering te behouden door het negeren van de waarnemingen aangaande motorische competentie. Dit kan leiden tot vermijding van fysieke activiteit wat de fysieke en psychosociale ontwikkelingen verder in de weg kan staan. Er ligt een uitdaging in het motiveren van deze kinderen om deel te nemen aan fysieke activiteit ondanks hun atletisch vermogen.
SCHOOL IS FUN AT
RECESS : INFORMAL ANALYSES OF WRITTEN LANGUAGE FOR STUDENTS WITH LEARNING
DISABILITIES
Noel Gregg and
Nancy Mather, Journal of learning disabilities, volume 35, number 1, january /
february 2002, pages 7-22
Met dit artikel beogen de auteurs twee
niet-gestandaardiseerde evaluatieschalen aan te reiken om de geschreven taal
van leerlingen met leerstoornissen te evalueren.
Leerlingen met leerstoornissen ontwikkelen vaak
een negatieve perceptie van het schrijven en ook van hun eigen capaciteiten om
hun ideeën schriftelijk uit te drukken. Wanneer ze op school dan vaak
geconfronteerd worden met activiteiten waar er schrijven bij te pas komt
beïnvloedt dit hun totaalbeeld van het schoolgebeuren, vandaar ook de titel van
dit artikel.
Er bestaan reeds gestandaardiseerde
instrumenten om schrijfvaardigheden te beoordelen. Deze worden gebruikt voor
screening maar ze zijn gelimiteerd, ze meten enkel de prestatie tijdens één
steekproef, één opstelling en op één moment.
Volgens de auteurs is er nood aan bijkomende
informatie om een volledig beeld te kunnen vormen van iemands
schrijfvaardigheid.
Met hun evaluatieschalen willen de auteurs deze
bijkomende informatie verschaffen.
Naast de aspecten waarmee een leerling moeilijkheden heeft, wordt er ook
nadruk gelegd op de zaken waar hij goed in is.
De Oral Retelling Scale (ORS) en de Writing
Evaluation Scale (WES) zijn ontwikkeld om in te praktijk kwalitatieve analyses
uit te voeren van het mondelinge en schriftelijke taalvermogen.
De WES is een aanpassing van een reeds
bestaande schaal, namelijk de Mather-Woodcock Group Writing Test, en de ORS is
ontwikkeld als tegenhanger voor de WES.
In de WES worden acht componenten geëvalueerd: handschrift, spelling, interpunctie en hoofdlettergebruik,
woordenschat, syntaxis, tekststructuur, gevoel voor publiek en affectieve
variabelen. Voor elk van deze
componenten geven de auteurs een uitgebreid overzicht van alles wat reeds in de
literatuur verschenen is. De componenten
worden gescoord met de cijfers 0 (zeer zwak) tot en met 4 (zeer goed).
Aan de hand van de evaluatieschalen kan men de
verschillende factoren herkennen die de schrijfprestatie beïnvloeden, alsook de
verschillende vaardigheden beoordelen die normaal bijdragen tot het
schrijfproces. Het gebruik van de
evaluatieschalen wordt ook geïllustreerd aan de hand van een voorbeeld.
Als conclusie stellen de auteurs dat het
gebruik van de schalen helpt bij het beoordelen van de sterktes en de zwaktes
van leerlingen. Hierdoor kan men
aangepaste leerdoelen gaan selecteren en zo de schrijfvaardigheid van een
leerling verbeteren, waardoor ook de schoolbeleving positiever wordt.
Johanna VAN CAMP
---------------------------------------------------------------------------------------------------
Vele personen met leerstoornissen kunnen hun ideeën niet uiten omwille van
spellingsfouten. Men focust zich vaak op wat deze mensen niet kunnen i.p.v. te
observeren wat ze wel goed kunnen. Gestandaardiseerde metingen zijn zinvol als
screeningsinstrumenten, maar toegevoegde evaluatie is nodig om een goed beeld
van de schrijfvaardigheden te verkrijgen.
Er is een recente ontwikkeling in de cognitieve wetenschappen die zegt dat er verschillende neuro-anatomische netwerken zijn voor de verschillende doelen en functies.
Beperkingen worden gezien wanneer er foute interacties optreden in deze neurale systemen.
Soms is het moeilijk te weten welke factoren leiden tot schrijfontwikkeling. We zouden ons moeten focussen op de barrières die het schrijven moeilijk maken i.p.v. op de oorzaken. Enkele voorbeelden van barrières zijn: beperkte instructie of gehoorcapaciteiten, cognitieve deficits, beperkte culturele ervaringen, vertraagde neurale of motorische ontwikkeling en zwakke motivatie.Er is reeds vele jaren onderzoek verricht naar de relatie tussen fijne motoriek en handschriftontwikkeling en men besluit dat de fijne motoriek handschriftontwikkeling enkel indirect beïnvloedt via orthografie. De relatie tussen motorische processen en handschrift betreft ook bewegings- en positiezin. Een persoon met kinesthetische perceptuele deficits gebruikt inversies en vervormingen.
We kunnen het handschrift testen op drie niveaus: kopiëren, dicteren en spontaan schrijven en dit in verschillende situaties. Dit is een voorbeeld van een toegevoegde evaluatie als supplement op gestandaardiseerde metingen.
Problemen met spelling interfereren met de kwaliteit van het schrijven. Een simpele manier om alfabetische kennis te testen is het dicteren van niet-woorden. Mensen met leesbeperkingen behalen hierop een lage score. We moeten ook extra aandacht schenken aan woorden met onuitgesproken letters. En zo bestaan er ook verschillende analyses voor vocabularium, zinsbouw, tekststructuur enz.
Met de informatie die we halen uit deze analyses kunnen we dan technieken ontwikkelen om al de mensen te helpen in hun spelontwikkeling. Er zijn twee theorieën i.v.m. de ontwikkeling van de spelling. De eerste zegt dat een individu doorheen verschillende stadia loopt. De twee theorie beschrijft deze ontwikkeling als een continu proces.
Door specifieke aspecten te meten bij personen met problemen kennen we de sterke en zwakke punten van die persoon en kunnen we doelgericht gaan helpen.
Veerle DE BRANDT
TOWARD AN
UNDERSTANDING OF DEVELOPMENTAL COORDINATION DISORDER
S.E. Henderson and L. Henderson, Adapted physical activity quarterly, 2002, 19, 12-31, 2002 Human Kinetics
Publishers, Inc.
Dit artikel geeft een overzicht van de
ontwikkeling en problemen in terminologie, diagnose en behandeling van DCD; dit
is het hebben van onverwachte moeilijkheden in het verwerven van motorische
vaardigheden.
1)Terminologie
De keuze van de terminologie heeft belangrijke
theoretische (mogelijkheid tot het vergelijken van wetenschappelijk onderzoek)
en praktische (toegang tot medische hulp) implicaties. Voor dezelfde stoornis
werden verschillende benamingen gebruikt, verschillend van land tot land,
tussen bepaalde beroepskringen en van patiënt tot patiënt. Tot men in 1995 op het London Consensus
Forum (Ontario) overeenkomt tot het universeel gebruik van DCD. De ‘D’ van
‘developmental’ wijst op de longitudinale invloed van de stoornis. De basis van
het motorisch gedrag ligt in het rijpingsproces, in interne en externe fysieke
invloeden, in vroegere bewe-gingservaringen en in de veranderingen van dat
gedrag door huidige omstandigheden.
Een ‘developmental disorder’ van wat? ICD-10 spreekt
over een aandoening van de moto-rische functie, maar hier wordt onvoldoende nadruk
gelegd op de oorzaak van het zwak motorisch functioneren, nl. door onvoldoende
controle over het motorisch systeem. De DSM-IV spreekt over een aandoening van
de motorische coördinatie, dit geeft beter de kern van het probleem weer,
zonder te specifiek te zijn over de precieze oorzaak.
2) Diagnose
DCD volgt geen duidelijk medisch ziektemodel, wat de
diagnose moeilijk maakt. De DSM-IV geeft vier diagnostische richtlijnen voor
DCD.
De afwezigheid van duidelijke positieve en negatieve
symptomen leidt ertoe dat de diagnose gebaseerd moet worden op normrefererende
tests, waarbij het kind met DCD significant onder de cut-off score valt. Een
ander probleem is het gebrek aan bewijs dat het geheel van de symptomen van DCD
duidelijk af te grenzen is van de symptomen van andere ontwik-kelingsstoornissen. Deze
twijfels komen duidelijk tot uiting in de volgende citaten:“Those with highly
specific deficits are the exception rather than the rule” (Hill et al., 1998)
en “Co-morbidity is the rule, rather than the exception” (Kaplan et al., 1998).
3) Behandeling
Het behandelen van de motorische moeilijkheden is niet
voldoende. Follow-up studies wijzen op de lange-termijn gevolgen van DCD die
vaak onopgelost blijven. Zij rapporteren een laag zelfbeeld, weinig sociale contacten,
eenzaamheid, depressie en een academisch niveau van functioneren ver onder het
niveau dat we zouden verwachten a.d.h.v. het IQ van het kind.
In het behandelen van de motorische vaardigheden is het belangrijk niet
enkel taakgeoriën-teerd te oefenen (Hoe vaak kan een kind de bal vangen?), maar
ook procesgeoriënteerd (Hoe vangt een kind de bal?).
De meeste interventies hebben een positief effect of zijn, op zijn minst,
beter dan geen interventie. Toch zijn vele moeilijkheden gewoonweg niet te verbeteren
en zou het beter zijn om nieuwe vaardigheden aan te leren, dan zich te focussen
op de gestoorde vaardigheden.
Sarah KNOPS
Alvorens er fouten kunnen geïnterpreteerd en geïdentificeerd worden bij
mensen met ADHD en/of LD moeten we eerst de woordkarakteristieken bestuderen
door middel van registers. De corpus-based analysis (CBA) bied ons de
technische en de theoretische benodigdheden om de patronen van de taal –genre,
stijl,…- te bestuderen in registers. Onderzoekers gebruiken de CBA om
taalkundige en niet taalkundige patronen in registers te zoeken. Het voorkomen
van taalpatronen wordt eerder kwantitatief bepaald door een CBA dan door een
functionele basis. Deze voorkomende patronen worden dan statistisch
geanalyseerd door factoranalyse om dimensies of groepen van taal te bepalen.
Deze dimensies worden dan geïnterpreteerd in termen van communicatieve functies
Groep 1 bestond uit studenten met een leerstoornis, groep 2 uit studenten met ADHD, groep 3 uit studenten met leerstoornissen en ADHD en groep 4 waren studenten met geen gekende stoornis. Elke deelnemer van alle groepen moesten een verklarende schrijfproef doen en kregen hiervoor precies 30 minuten de tijd. Het onderwerp had geen invloed op de taal. Elk papier werd vervolgens onafhankelijk door 2 jury’s nagekeken op 4 dimensies: Inhoud/ organisatie, stijl, zinsstructuur en overeenkomst.
Elk papier werd verder verwerkt dmv CBA en andere hulpmiddelen. Tenslotte werden er 67 woordkarakteristieken welke verschillende functies in de structuur en het gebruik hadden geïdentificeerd. Deze 67 groepeerde hij in 16 grote categorieën (vb uitspraken en spreekwoorden, vragen, negaties,…). Enkel 54 woordkarakteristieken werden geschikt gevonden voor verdere analyse.
1. Een verandering tussen de 4 groepen studenten een kwantitatief verschil gaf voor de taalfactoren en een niet kwantitatief verschil op kwalitatief verschillende taalfactoren.
2. De eerste zorg bij dit onderzoek was om een model te ontwikkelen op de algemene populatie (groep 4) dewelke zo dicht mogelijk aanleunde bij de groep welke Biber onderzocht. Daarna werd deze groep als standaard gebruikt om deze populatie te vergelijken met de mensen met de stoornis.
Een 4 factoren model had de hoogste graad van geschiktheid met de data van groep 4. De volgende communicatieve functies werden toegeschreven aan de factoren: tijd, van verwijzing voorziende uitwerking, herleidingen en ontworpen bewerkingen. De 4 factoren waren voor elke groep dezelfde.
holistische uitslag: groep 4 had hier een significante hogere kwalitatieve score voor het schrijven in vergelijking met de andere groepen.Zoals Gregg al zei zal de holistische uitslag ons de goede en de slechte schrijvers onderscheiden maar zullen geen onderscheid maken tussen de slechte schrijvers.
Woordenrijkheid. Er werd geen significant verschil voor woordenrijkheid gevonden tussen groep 1, 2 en 3. Dit werd echter wel gevonden tussen groep 4 en elke andere groep.
Type/token ratio (= TTR) Deze ratio is de verhouding van het aantal verschillende woordvormen of woordtypes op het aantal verschillende woorden of tekens. Geen verschil in TTR werd gevonden tussen groep 1, 2 en3, terwijl er een significant verschil gevonden werd tussen groep 4 en elke andere groep.
Sara MARTENS
CONSTRUCT VALIDITY OF THE TEST OF GROSS MOTOR
DEVELOPMENT : A CROSS-VALIDATION APPROACH
Evaggelinou, Tsigilis and Papa, , in Adapted Physical Activity Quarterly ,
2002, 19, pp. 483-495
Deze studie had als doel
de onderliggende structuur van de TGMD te onderzoeken. De TGMD, ontworpen door
Ulrich (1985), is een gestandaardiseerde test die wijd en zijd frequent wordt
gebruikt voor de beoordeling van de grof motorische ontwikkeling bij kinderen
van 3 tot 10 jaar. Deze test meet 12 motorische vaardigheden die frequent
aangeleerd of gebruikt worden in de kleuterschool en de eerste jaren van de
lagere school.
Constructvaliditeit is de vraag of een testscore een meting is van de karakteristiek, het kenmerk waarin men is geïnteresseerd. De constructvaliditeit van de TGMD was tot op heden nog niet getest aan de hand van bevestigende factoranalyse.
Een cross validatie werd toegepast omdat het een belangrijke stap is in het valideren van de TGMD.
Cross validatie vereist twee gescheiden steekproeven van dezelfde
populatie. De totale steekproef in dit artikel bestond uit 644 schoolkinderen
van 3 tot 10 jaar in Griekenland. De proefpersonen werden willekeurig verdeeld
in twee subgroepen. De eerste groep bestond uit 324 kinderen, de tweede uit 320
kinderen. Voorafgaand onderzoek toonde aan dat er geen verschil was in
leeftijd, bevolkingsgroep en prestatie op de 12 items tussen de twee groepen.
Eén leerkracht lichamelijke opvoeding nam, bij elk kind afzonderlijk, de
TGMD af tijdens de lessen lichamelijke opvoeding.
Nadien beoordeelde een tweede
leerkracht lichamelijk opvoeding de testscores van een willekeurige steekproef
van 90 kinderen. De overeenkomst tussen beiden was .98.
Een twee factormodel werd aangenomen en getest. Verder werd de cross validatie van de TGMD onderzocht.
Samengevat blijken de resultaten de constructvaliditeit van het vooropgestelde twee factormodel van de TGMD sterk te steunen. Gezien de relatief hoge associatie tussen de twee factoren van de TGMD, werd hun discriminatievaliditeit verder onderzocht. De resultaten hiervan suggereren dat deze houdbaar is.
Uit de resultaten besluit men dat de TGMD een goede cross generaliseerbaarheid vertoont. Bij het gebruik ervan in de klinische of educatieve praktijk mogen de uitvoerders er zekerder van zijn dat ze twee verschillende concepten meten, namelijk motorische vaardigheden en voorwerpcontrole vaardigheden.
De steekproef die hier werd gebruikt, bevatte echter kinderen zonder een handicap. Het zou dus waardevol kunnen zijn om deze studie ook eens toe te passen bij kinderen met mentale, sensomotorische en andere handicaps.
Tom
TAFFEIREN
WRITING AND READING: CONNECTIONS BETWEEN
LANGUAGE BY HAND AND LANGUAGE BY EYE
Virginia
W.Berninger, Robert D.Abbott, Sylvia P.Abbott, Steve Graham and Todd Richard,
Journal of learning disabilities, Volume 35, nr1, jan./febr.2002 p.39-56.
In een eerste studie wordt de relatie onderzocht tussen lezen en schrijven bij kinderen van graad 1 tot 6 d.m.v.taalopdrachten zoals spellen, opstellen, begrijpend lezen, woordherkenningsoefeningen,… Significante covarianties werden gevonden tussen spelling en woordherkenning, tussen spelling en het vloeiend schrijven van een opstel,tussen begrijpend lezen en de kwaliteit en de vlotheid van opstellen, … Er wordt hier bevestigd dat het lezen en schrijven niet los van elkaar staan.
Ook in een tweede benadering waar kinderen met schrijf en leesproblemen getest zijn,zien we dat het lezen en schrijven met elkaar intrageren: nl hoge correlaties tussen woordherkenning en spelling en tussen begrijpend lezen en opstellen zowel bij de kinderen als bij hun ouders die ook schrijf en leesmoeilijkheden hebben. Er is een link tussen lezen en schrijven op woordniveau en op tekst niveau.
In een derde studie wordt de effectiviteit van alternatieve benaderingswijzen bestudeerd om jongeren met leesmoeilijkheden vlotter te leren lezen. Het blijkt dat via schrijfoefening er hogere resultaten bekomen worden bij deze jongeren op het niveau van lezen(woordherkenning, spelling…), verder onderzoek is hier echter nog nodig.
In een vierde en laatste benadering worden kinderen met dyslexie getest met magnetische resonantie technieken (fMRS, fMRI) tijdens luisteroefeningen. Men vond bij deze kinderen een hoger subcorticaal lactaatgehalte tijdens het uitvoeren van de oefening en een gebrek aan zuurstoftoename in de insula in vergelijking tot de controlegroep. Deze resonantietechnieken geven ons een goed beeld over de organisatie van ons taalsysteem en de eventueel aanwezige pathologie.
Hoewel lezen en schrijven 2 aparte vaardigheden zijn intrageren ze op
bepaalde niveaus met elkaar, maar veel moet echter nog geleerd worden.
Verdere studies over lezen en schrijven gecombineerd met genetisch
onderzoek en magnetic imaging van de hersenen kunnen in de toekomst een beter
beeld scheppen op welke manier het lezen en schrijven met elkaar verbonden
zijn.
OUDER-KINDINTERACTIES IN GEZINNEN MET EEN KIND
MET ADHD.
Een overzicht van de voornaamste onderzoeksbevindingen tot op heden.
Janssens, K.,
Andries, C., Ponjaert-Kristoffersen, I.(2002). Tokk, 27, 114-127
Dit artikel geeft een overzicht van al de onderzoeken die tot op heden
gedaan zijn naar de ouder-kindinteracties in gezinnen met een kind met ADHD.
Het eerste deel geeft de belangrijkste
observatiegegevens met betrekking tot deze interacties. Hieruit blijkt dat moeders met een kind met
ADHD vaker directief en controlerend optreden dan andere moeders.
Zij delen tweemaal zoveel bevelen uit en gaan
hun kind sneller terechtwijzen, berispen en straffen, waarbij ze dikwijls beroep
doen op agressieve disciplineringmethoden. Enerzijds blijken zij minder
responsief ten aanzien van hun kind en gaan zij uit eigen beweging minder met
hun kind interageren, zelfs na positieve of neutrale interacties uitgaande van
het kind. Anderzijds zullen zij hun kind sneller ter hulp komen en aanmoedigen.
De kinderen met ADHD gedragen zich globaal
negatiever. Zij zijn minder gehoorzaam, sneller afgeleid en slagen er minder
goed in de aanwijzingen van hun moeder op te volgen. De kinderen praten meer tijdens het contact met hun moeder en
vragen haar dikwijls om hulp.
Zelfstandig spelen verloopt bijgevolg moeizaam: zij zijn doorgaans sterk
afhankelijk van hun moeder en eisen veel aandacht op .
Uit de resultaten over de invloed van leeftijd
van het kind komt naar voor dat er een continuïteit in de
interactiepatronen is binnen de gezinnen. De gedragsproblemen en conflictueuze
interactiepatronen blijven bestaan in de adolescentie, hoewel er naarmate het
kind ouder wordt wel enige verbetering waargenomen wordt.
Wat het geslacht van het kind betreft worden er
in de moeder-kindinteracties in het geheel weinig significante verschillen
teruggevonden. Nochtans lijken jongens wel iets meer sturing en aanmoediging
van hun moeder te ontvangen.
Dit zou in verband kunnen staan met het feit
dat jongens zich minder gehoorzaam gedragen dan meisjes. Over de verschillen in het geslacht van de
ouder kan ongeveer hetzelfde gezegd worden.
In de omgang met hun hyperactieve kind blijken
moeders en vaders globaal weinig verschillen te vertonen, hoewel er in de
moeder-kindinteracties meer conflicten voorkomen. Gezien de jongens negatiever en minder gehoorzaam reageren op de
richtlijnen van hun moeder.
In het tweede deel van het artikel worden de
gegevens samengebracht uit de onderzoeken naar de richting van het effect in de
ouder-kindinteracties. De resultaten
tonen aan dat niet alleen het gedrag van het kind , maar ook het
opvoedingsgedrag van de ouder een belangrijke rol spelen in de
ouder-kindinteracties.
De opvoedingspraktijken van de ouders kunnen
het gedrag van het kind meebeïnvloeden en mogelijk de gedragsproblemen van het
hyperactieve kind in de hand werken. Er
is een ontegensprekelijk verband, maar daarom nog geen oorzakelijk causaal
verband.
In een derde deel wordt de invloed van
comorbiditeit bij ADHD- kinderen op de ouder-kindinteracties behandeld. De resultaten van de verschillende
onderzoeken suggereren dat de voornaamste problemen en conflicten in de
interacties in gezinnen met hyperactieve kinderen grotendeels verklaard kunnen
worden door de aanwezigheid van comorbide gedragsstoornissen.
Deel vier vat tot slot de bevindingen en
bedenkingen omtrent de onderzoeksresultaten kritisch samen.
Charlotte
VAN DEN DRIES
SPORT- UND BEWEGUNGSTHERAPIE MIT DEPRESSIVEN PATIENTEN
Brinkman S. (2001), Praxis der Psychomotorik,
26 (4)
Via bewegingstherapie wil men komen tot
somatische effecten en psychische veranderingen. Onderzoek heeft aangetoond dat depressieve patiënten die
antidepressiva nemen en aan sport doen, zich beter voelen. Dit komt door het feit dat antidepressiva
zorgt voor stofwisselings-verandering en het doen aan sport leidt tot toename
van stoffen in het lichaam waardoor de depressieve symptomen zullen verminderen.
Bij depressieve patiënten lijken uithoudingstraining,
sportprogramma’s en fitnesstraining geschikte methoden om zichzelf beter te
voelen.
Factoren die voor
een verbetering zorgen
Een eerste onderzoek wil het verschil aantonen
tussen depressieven die al dan niet een bewegingstherapie gevolgd hebben. De resultaten zijn, de algemene klachten
verminderen als men begewingstherapie gevolgd heeft en in verband met de
gedachten en de instelling over zichzelf, is er weinig verschil te merken
tussen beide groepen.
In een
tweede onderzoek gaat men de effecten van bewegingstherapie nagaan, bij
psychosomatische patiënten.
De factoren in de therapie die voor een postief
effect zorgen zijn: bewustzijn, welbevinden en de
zelfverantwoordelijkheid. De vraag die
hier gesteld kan worden, is of dit onderzoek ook geldt voor depressieve
patiënten?
De basis van
bewegingstherapie
Bewegingstherapie gebruikt het lichaam, de
lichamelijke herbelevingsmogelijkheden en de verhoudingsmogelijkheden. De bewegingstherapie wordt vanuit
verschillende invalshoeken bekeken.
1.
Petzold
is een voorstander van de lichaamstherapie (= therapie vertrekkende vanuit het
lichaam omdat het lichaam een uiting is van het psychisch beleven).
2.
Hölter
ziet de bewegingstherapie als een psychologische en pedagogische methode met
als doel, om de bestaande symptomen te verwijderen en de ontwikkeling van de
mens te bevorderen.
Methode van
bewegingstherapie
Het doel is dat de gedachten, synthesen en
indrukken van de op voorhand ingewonnen informatie met elkaar verbonden worden.
Het thema kan potentieel therapeutisch zijn,
waar dat men gaat zorgen dat de symptomen en de problematiek direct aan de
patiënt gekoppeld worden. Anderzijds
kan het gaan om een standaardthema waar dat het thema bepaald wordt door de
punten uit de pathologie van de patiënt.
Men
bekomt een therapeutische inhoud als de thema’s betrokken worden op de
problematiek. Om beweging op zich als
therapie te zien, moet men de therapie onderverdelen in:
· functioneel niveau, waar dat men
rond de somatische symptomen gaat werken
· betrekkingsniveau, waar men inhouden
en thema’s in de praktijk gaat omzetten
· metaniveau, waar de individuele
beleving zin en betekenis krijgt
Bewegingstherapie
als psychologische methode
Hier moet er eerst een schets gemaakt worden
van het bevrijdingsgevoel. Hieronder
verstaan we de kutane stimulatie (liefkozing), propioceptieve stimulatie (vast
gehouden worden), ervaring van geliefd te zijn en de agressieve behoefte
(zuigen, bijten).
Verschillende veranderingen in de
persoonlijkheid zouden via therapie bijgestuurd moet worden. Dit bijsturen gaat om het inhalen van
verzuimde ontwikkelingsfazen. Hierbij
zijn twee belangrijke aspecten nodig:
1. Verwenning
omzetten naar behoeftebevrediging
Het oervertrouwen ontwikkelt zich als
huidcontact en het ritme van het lichaam goed aangeboden zijn. Door dit vertrouwen blijft de zuigeling
afhankelijk. En deze afhankelijkheid
bepaalt bepaalde thema’s voor de bewegingstherapie.
2. Externaliseren
van agressie
Dit externaliseren toont de weg naar autonomie
en de eigen initiatieven.
Om zich van de agressie te bevrijden moet men
zich afreageren, en dit via beweging.
Door positieve bekrachting gaan de negatieve emoties van de meeste
patiënten verdwijnen of gerelativeerd worden.
Via beweging moet de patiënt toegang krijgen tot de eigen agressie, om
zo tot integratie te komen van de eigen persoonlijkheid.
Nina BANCKAERT