REVAKI -
UGent
De exacte oorzaak van inversietraumata is tot
op heden nog niet gekend.
Hoogst waarschijnlijk is de
etiologie van deze letsels multifactorieel, waarbij zowel intrinsieke als
extrinsieke risicofactoren een rol spelen.
Een van de factoren die soms
aangehaald worden zijn afwijkende biomechanische patronen.
Deze afwijkingen kunnen zowel in de
kinematica als in de kinetica te vinden zijn.
Er bestaan echter weinig
experimentele bewijzen voor deze veronderstellingen.
Ook naar preventie en behandeling
toe, is het belangrijk na te gaan welke mechanismen aan de basis liggen van
blessures.
Het doel van onze
studie is nagaan wat de mogelijke kinetische oorzaken zijn van inversietraumata
aan de hand van plantaire drukmetingen.
Aan het begin van hun studie Lichamelijke opvoeding
werd bij 93 generatiestudenten zonder letsels het looppatroon geanalyseerd.
Dit gebeurde aan de hand van
plantaire drukmetingen verzameld met het Footscansysteem (RsScan nv.).
Een footscan drukplaat (2m x
0.4m, 16384 sensoren, 480 Hz, dynamisch gekalibreerd met het
AMTI-krachtenplatform)
was ingebouwd in een 16.5 m lange loopbaan.
De studenten liepen 10 maal
blootsvoets aan een snelheid van 12 km/u over deze loopbaan.
Voor de metingen konden de studenten
een paar proefpogingen uitvoeren.
Na het testen werden er door één
observator op de voetzool van 3 rechtse en 3 linkse voeten 8 zones geplaatst (1
op de mediale en 1 op de laterale zijde van de hiel, H1en H2 respectievelijk, 5
op de metatarsaalkoppen, M1-M2-M3-M4-M5, en 1 onder de hallux, T1).
Maximale druk data, impulsen, en temporele data
(tijdstip van maximale druk, tijdstip waarop de zones contact maken met de
drukplaat en het einde van contact, totale contacttijd, en contacttijd van de
zones) werden geanalyseerd.
De voetafrol werd onderverdeeld in 4
fasen: initieel contact (van eerste contact tot het moment dat een metatarsaal
de grond raakt), midstance (contact eerste metatarsaal tot contact alle
metatarsalen), footflat (contact alle metatarsalen tot loskomen van de
hielzones) en push off (vanaf loskomen van de hielzones tot laatste contact).
Medio-laterale ratio’s werden
berekend voor het begin van de fase en in de 4 intervallen. Daarnaast werd ook
het center of pressure (COP) geanalyseerd.
De positie van de X-component
(medio-lateraalwaarts) en de Y-component (voor-achterwaarts) van het COP werd
op het moment van het begin van de fasen en in de intervallen berekend.
Ook de maximale mediale, laterale,
voor- en achterwaartse posities van het COP werden berekend in de verschillende
fasen.
De studenten werden anderhalf jaar
gevolgd door een sportarts met betrekking tot de letselregistratie.
Studenten die tijdens deze periode
stopten met hun studie of die langer dan 2 maanden niet fysiek actief waren
omwille van een opgelopen letsel niet ter hoogte van onderbeen, enkel of voet
werden uit de studiepopulatie verwijderd.
Tijdens deze anderhalf jaar durende studie
liepen 16 studenten een laterale enkeldistorsie op.
Als controlegroep werden 36
studenten geselecteerd die bilateraal geen letsels hadden opgelopen.
Aan de hand van een t-test werden
verschillen gezocht tussen de 2 groepen onderling, de niet-gekwetsten (groep 0)
en de groep met studenten die een enkeldistorsie opliepen (groep 1).
Bij studenten die een
inversietrauma opliepen, werd gezien dat het tijdstip van maximale druk onder
M3, M4 en M5 significant later was dan bij niet-gekwetsten.
Daarnaast is ook het tijdstip van loskomen van M2 en
M3 significant later bij hen die een inversietrauma opliepen. M2 blijft bij
groep 1 significant langer in contact met de grond in vergelijking met groep 0.
Het verschil in de medio-laterale
ratio (druk onder M1- druk onder M5/druk onder alle metatarsalen) in de midstance
fase is significant kleiner bij hen die een inversietrauma oplopen.
Dit wil zeggen dat er minder
verplaatsing is van de druk van lateraal naar mediaal in de midstance fase.
De X-component van het COP ligt
significant meer lateraal bij initieel contact bij studenten die een
inversietrauma opliepen.
De maximale mediale positie in de
initiële contact fase ligt significant meer lateraal dan bij niet-gekwetsten en
ook de maximale laterale positie ligt significant meer lateraal.
Deze X-component ligt op het moment
van het laatste contact ook meer lateraal dan bij niet-gekwetsten.
De verplaatsing van deze component
in medio-laterale richting in de push-off fase is kleiner.
Ook het tijdstip van de maximale
laterale positie van de X-component van het COP is in deze fase significant
later bij studenten die inversietrauma’s oplopen.
De maximale verplaatsing van de
Y-component is significant groter bij groep 1 ten opzichte van groep 0 op het
moment van het begin van de midstance fase.
Dit wil zeggen dat de
voor-achterwaartse component van het COP meer naar voor gelegen is bij het
raken van de eerste metatarsaal.
Een te laterale positie van het COP bij
initieel contact maakt sporters voorbeschikt om inversietraumata op te lopen.
Ook een te kleine
verplaatsing van drukverdeling van lateraal naar mediaal tijdens de midstance
fase, wijzend op een supinatiepatroon, kan medeoorzaak zijn van
inversietrauma’s.