|
DE PSYCHOMETRISCHE
EIGENSCHAPPEN VAN EEN NEDERLANDSTALIGE VERSIE VAN DE
ROSENBERG-ZELFWAARDERINGSSCHAAL.
(Kevin Bruynooghe, Piet Bracke, Mieke
Verhaeghe)
Diagnostiek-wijzer,
jaargang 6, Nr.4, november 2003, 136-145
Zelfwaardering,
het is een van de meest frequent gemeten concepten in sociaal en
psychologisch onderzoek. Dit, omwille van zijn gevolg voor individueel
functioneren en het handhaven in de samenleving. Zo kan een lage
zelfwaardering, component zijn van verscheidene psychologische aandoeningen.
Ondanks
het feit dat dit concept zo vaak gebruikt wordt, blijft het een zwak
gedefinieerd construct. Toch bevatten de vele definities van zelfwaardering
een aantal gemeenschappelijke elementen. (1)Een notie van reflexiviteit in
het zelf, (2)een evaluatie van het zelf en (3)een affectieve reactie op die
evaluatie. Van de verschillende meetprocedures, is de
Rosenberg-zelfwaarderingsschaal op dit moment de meest gebruikte.
Deze
schaal zal de persoon als geheel beoordelen. Globale zelfwaardering (↔
specifieke zelfwaardering). Wat belangrijk is om het algemeen psychisch
welbevinden van de persoon te beoordelen. Daarnaast meet ze ook een stabiele
zelfwaardering, die de nadruk legt op de permanente, stabiele component van
het zelfbeeld.
De
betrouwbaarheid van deze schaal wordt door vele studies bevestigd. In eerdere
onderzoeken werden al pha-waarden gevonden van 0,85 tot 0,87 (Bracke, 2001; Verhaege, 2002), 0,83 tot 0,90 (Torrey, Mueser, McHugo en Drake, 2000), 0,82 (Arns en Linney, 1993).
Initiëel
is deze schaal als een unidimensionele schaal ontworpen. Exploratorische
factoranalyses vonden echter vaak twee factoren, nl. (A)positief verwoorde items en (B)negatief verwoorde items. Over de
interpretatie van beide factoren bestaat echter nog heel wat onzekerheid.
Volgens sommigen gaat het om twee inhoudelijk te onderscheiden factoren,
volgens anderen om een methode-effect van de positief en negatief
geformuleerde items.
In het
eerste geval onderscheid men zelfvertrouwen (positief item)
en zelfdepreciatie (negatief item). Indien deze werkelijk inhoudelijk zouden
verschillen, dienen ze verschillend te correleren met een externe factor. Owens kwam in zijn onderzoek tot de
bevinding dat zelfvertrouwen correleert met prosociaal gedrag en
zelfontwikkeling. Zelfdepreciatie correleerde dan weer met verminderd
psychologisch en sociaal welbevinden. Ingham en anderen vonden dan weer dat
gebrek aan een vertrouwenspersoon correleert met de negatieve items, maar niet met de positieve.Carmines en Zeller
vonden geen differentiële correlaties, terwijl ze er expliciet naar op zoek
gingen.
In het
andere geval gaat het om een twee-factorstructuur, die ontstaat door de
positieve en negatieve verwoording van de items. Uit
vorig onderzoek is gebleken dat er moeilijkheden ontstaan met de negatief verwoorde
items bij mensen met geringe taalvaardigheid.
Volgens Marsh leidt dit onvolledig
begrijpen tot verschillend antwoorden. Het naar voor
komen van de twee factoren wordt dus louter veroorzaakt door de verwoording
van de items.
Empirisch wordt dit ondersteund door de bevinding dat positieve en
negatieve items meer gaan correleren met een
stijgende taalvaardigheid.
Methode
Men
gaat er in dit onderzoek vanuit dat de zelfwaarderingsschaal slechts één
dimensie is van het multi-dimensioneel meetinstrument om de levenskwaliteit
van psychiatrische patiënten in extramurale omstandigheden te bepalen.
Data
voor dit onderzoek werd gehaald uit dagactiviteiten centra (meer chronische
problematiek) en revalidatie centra. De steekproef werd genomen door middel
van een clustersteekproeftrekking in twee fasen.
Fase1: Selectie
van de organisatie
Afzonderlijk
voor de dagactiviteiten centra (n=32) en de revalidatie centra (N=7)
Fase2: Selectie van cliënten binnen een
organisatie
Het
aantal geselecteerden per centra is afhankelijk van het gemiddeld
aantal bezoekers per dag.
(N=524; ♀=40%, ♂=60%;
Lftd 17j-80j, gem.=45j)
Voor de test werd de Nederlandse
Rosenberg-zelfwaarderingsschaal (Vertaling: Brutsaert 1993) gebruikt. De
vragenlijsten werden groepsgewijs afgenomen. Één of twee onderzoekers waren
aanwezig om, indien nodig, hulp te bieden.
Verloop van de
analyse
De betrouwbaarheid werd nagegaan met Cronbach’s alpha (0,85). In een volgende stap is een
exploratorische en confirmatorische factoranalyse uitgevoerd. Voor de
bevestigende factoranalyse kunnen 4 modellen naar voor geschoven worden.
(1) Een één-factormodel → één
factor zelfwaarde, die adequaat gemeten wordt door de items.
(2) Twee-factormodel → positieve
en negatieve zelfwaarde zijn inhoudelijk te onderscheiden.
(3) Hiërarchisch model → Een
globale factor zelfwaarde, met zelfvertrouwen en zelfdepreciatie als
subdimensies.
(4) Een factormodel met gecorreleerde
residuelen → tussen de negatief geformuleerde items.
1.
Geen enkele fit index
bereikt een aanvaardbare waarde.
2.
Er worden beter
waarden dan bij (1) gevonden. Maar, deze zijn nog steeds niet aanvaardbaar.
3.
Aanvaardbare
overeenkomst met de data.
4.
Een nog betere
overeenkomst dan bij (4)
Bij
het Hiërarchisch model moeten de positieve en negatieve items
differentieel correleren met externe constructen. Bij onderzoek blijkt echter
dat de gevonden correlaties weinig steun bieden aan de hypothese van twee
inhoudelijk te onderscheiden factoren. De alternatieve hypothese, die uitgaat
van een factormodel met gecorreleerd residuelen wordt dus aantrekkelijker.
Voor dit model stelt men (in navolging van marsh), dat de correlatie tussen
beide items zal stijgen wanneer de verbale
mogelijkheden van de respondent stijgen. Daar er geen data beschikbaar was
over de verbale capaciteiten van de respondenten, wordt hun opleidingsniveau
als benadering hiervoor gebruikt. Men bekomt een sterk stijgende correlatie
van de items naarmate het opleidingsniveau toeneemt.
Dit wijst op een methode-effect, veroorzaakt door de positieve en negatieve
verwoording van de items.
De
ernst en de implicaties van de problemen met de negatieve items
moeten echter sterk worden gerelativeerd. De Cronbach’s alpha voor de laagst
opgeleide respondenten bedraagt 0,83. Deze ligt nog steeds in de buurt van
ven e vooropgestelde 0,85 voor een schaal met 12 items
(Swanborn, 1988).
De
Vraag wordt ook gesteld of de gewone somscores nog gebruikt kunnen worden nu
men weet dat er twee factoren aanwezig zijn. De afzonderlijke factorscores en
ruwe somscores vertonen nog een correlatie van minstens 0,98. Deze effecten
zijn echter niet sterk genoeg om de betrouwbaarheid en validiteit van de
schaal in het gedrang te brengen.
Bart NIJS
|