|
EXPLORING
THE MEANING OF PRACTICUM EXPERIENCES FOR PETE-STUDENTS. S.R. HODGE, D. TANNEHILL, M.A.
KLUGE. Uit: ADAPTED PHYSICAL ACTIVITY
QUARTERLY, 2003, 20, 381-399. Inleiding. Deze fenomenologisch
kwalitatieve studie onderzocht de betekenis van praktijkervaring bij physical
education teacher education-studenten (PETE-studenten). Connoly
(1994) ging reeds na in welke mate praktijkervaring
binnen een APE-cursus een verrijking was voor de PETE-studenten. Na het
uitvoeren van deze studie bleef er een vraag bestaan in wat de betekenis van
praktijkervaring was voor PETE-studenten in de voorbereiding op het
begeleiden van jongeren met functionele beperkingen. Methode. Deelnemers
waren studenten van het PETE-programma aan de Ohio State Universiteit (OSU),
die ingeschreven waren in de APE-cursus. Enkel de studenten die het hoogst
scoorden in het geven van ‘physical education’ werden geselecteerd (10
personen: 6 mannen en 4 vrouwen). Het
programma bestond uit coöperatieve spelen en fysieke activiteiten voor
jongeren van 3 tot 18 jaar. Dit programma werd één avond per week (2 ½ uur)
gegeven en dit gedurende 3 semesters. Doorheen
dit experiment werden 4 groepen opgericht op basis van de leeftijd met hierin
kinderen met verschillende functionele mogelijkheden. De PETE-studenten
mochten op basis van deze groepssamenstelling hun twee voorkeursgroepen
aanduiden om te begeleiden. Voor groep 1 (3-5 jaar) en groep 2 (5-7 jaar)
waren er 7 PETE-studenten, voor groep 3 (7-10 jaar) 6 studenten en groep 4
(10-18 jaar) 4 studenten. De
studenten kregen de opdracht hun gedachten, gevoelens en inzichten in een
soort dagboek bij te houden en dit op weekbasis. Dit moest gebeuren door
middel van een 12-puntenschaal om op deze manier volledige en inzichtvolle
reflecties te verkrijgen. Data uit deze ‘weekboeken’ werd verzameld gedurende
een periode van 8 weken en werd verwerkt door middel van een thematische
analyse. Resultaten. De
thematische analyse resulteerde in de beschrijving van 11 thema’s: 1. Attitude en socialisatie: beschrijving van de evolutie
(eerste week – laatste week) van hun houding t.o.v.
deze kinderen. 2. Onderwijsvariabelen:
beschrijving van de manier waarop studenten hun activiteiten aanpasten aan de noden,
interesses en mogelijkheden van de kinderen. 3. Leiding en
organisatie: beschrijving van het gebruik van didactische aspecten en de
organisatie van de sessies. 4. Inhoud en
activiteiten: beschrijving van de activiteiten die gebruikt werden binnen de
sessies. 5. Types van
beperking: beschrijving v/d evolutie van hun houding t.o.v. de beperkingen
v/d kinderen 6. Gedrag van de
jongeren: beschrijving v/d evolutie van hun houding t.o.v. de beperkingen en
het gedrag van de
jongeren. 7. Betrekking en
ondersteuning: beschrijving van de manier waarop kinderen met een beperking betrokken
worden in de groep en ondersteund werden tijdens de sessies. 8. Uitdagingen en
beloningen: beschrijving van hun ervaring omtrent
hun plezierbeleving tijdens de sessies. 9. Leerervaring:
beschrijving van alle dingen die geleerd werden tijdens deze
praktijkervaringen. 10. Communicatie:
beschrijving van de manier waarop de studenten gebruik maakten van
communicatie t.o.v. andere
studenten, de kinderen, de ouders, promotors, … 11. Contextuele en
programmavariabelen: kritische
bedenkingen van de studenten omtrent de contextuele en
programmavariabelen van dit experiment. Discussie. Bedoeling
van deze studie was, d.m.v. het gebruik van zelf-reflectie, de betekenis van
praktijkervaring na te gaan bij PETE-studenten. Het gebruik van een ‘dagboek’
bleek een goede strategie te zijn voor de zelf-reflectie van de studenten.
Deze bevinding ondersteunt vorig onderzoek van Sebren (1995)
, Shulman (1993) en Tsangaridou (1997). In
deze studie kwamen 11 thema’s aan de orde die overeenstemden met de
thematische categorieën van O’Sullivan (1992) en Connoly (1994). Enkel de
verschillende types van beperkingen en de betrekking van deze kinderen waren
unieke thema’s binnen deze studie. Bevindingen
uit deze studie verklaarden dat de houding en interactie
van de studenten t.o.v. kinderen met beperkingen veranderde gedurende het
experiment. Een belangrijk deel was immers dat de studenten leerden aanpassen
aan de noden, interesses en mogelijkheden van de verschillende kinderen. In
dit opzicht wordt de hypothese van deze studie (het belang van
praktijkervaring voor studenten) bevestigd. Om nog
meer te weten te komen over hoe men studenten kan begeleiden in het
‘journaling proces’ is verder onderzoek aangewezen: dit onderzoek zou zich
kunnen focussen op de ervaringen van het bijhouden van een dagboek als vorm
van zelf-reflectie bij PETE-studenten. Rik OP
DE BEECK |