|
VERBAL AND VISUAL INSTRUCTION IN MOTOR SKILL
ACQUISITION FOR PERSONS WITH AND WITHOUT DOWN SYNDROME. Tijdens
het aanleren van motorische vaardigheden wordt vaak gebruik gemaakt van zowel
verbale als visuele instructies, zonder stil te staan bij welk van de twee
het meest effectief is. Dit artikel wil daar verder op ingaan, in het
bijzonder bij personen met het Down syndroom (DS). Het is
gekend dat personen met het DS minder goed presteren bij verbale dan bij
visuele instructies. Een eerste mogelijke oorzaak daarvoor is dat deze
personen een slecht verbaal korte termijn geheugen zouden hebben. Op
neuropsychologisch vlak geeft men als oorzaak het model van de cerebrale
specialisatie aan. Personen met het DS zouden een atypische rechter
hemisferische specialisatie hebben voor de perceptie van taal. Als we weten
dat de organisatie van bewegingen in de linkerhemisfeer gebeurt, dan zien we
een functionele dissociatie tussen de twee hemisferen wanneer verbaal een
instructie wordt gegeven om een beweging uit te voeren, wat het extra
moeilijk maakt. De
meeste studies de manier van instructies geven meten echter de motorische
prestatie op zich en niet het motorisch leren (het verwerven, behouden en
generaliseren van een bewegingspatroon). Dit laatste geeft ons nochtans de
meeste informatie over de effectiviteit van een bepaalde instructievorm. Zo
weet men dat bij het oefenen van een bepaalde vaardigheid, feedback geven na
elke oefenpoging de prestatie op zich optimaliseert maar geen goede
resultaten geeft qua motorisch leren. Eveneens werd bij personen met het DS
nog nooit eerder de verbale en de visuele instructievorm vergeleken. Het
doel van dit onderzoek is tweeledig. Ten eerste wordt nagegaan of de
specifieke problemen die personen met het DS ondervinden bij het uitvoeren
van een beweging te generaliseren zijn naar het motorisch leren. Ten tweede
wordt de rol van verbale en visuele instructie nagegaan bij het aanleren,
behouden en transfereren van een motorische vaardigheid bij personen met en
zonder het DS. De
totale onderzoekspopulatie bestaat uit 28 personen en werd onderverdeeld in
drie onderzoeksgroepen: 10 personen met het DS, 10 personen met een
ongedifferentieerde ontwikkelingsstoornis (OOS) en 8 personen zonder stoornis
(de controlegroep). Er was geen significant verschil in mentale leeftijd
tussen de drie groepen. De
taak bestond eruit om de cursor op het computerscherm door middel van de muis
zo vlug mogelijk een bepaald bewegingspatroon te laten volgen. Alle drie de
onderzoeksgroepen werden in twee verdeeld, waarvan het ene deel een verbale
instructie kreeg (opgenomen op band, dus voor iedereen perfect dezelfde instructie)
en het andere deel een demonstratie kreeg op computerscherm (visuele
instructie). Dit werd 3 maal 20 keer uitgevoerd (d.i. de eerste fase,
namelijk het aanleren van het bewegingspatroon). Na een uur en na 24 uur
kreeg iedereen nog eens 10 pogingen met dezelfde instructievorm en 10
pogingen met de andere instructievorm (d.i. de tweede fase, namelijk het
behouden en transfereren na een bepaalde periode of het motorisch leren).
Zowel de reactietijd (RT) als de bewegingstijd (BT) werden gemeten. Tijdens
de eerste fase zien we dat de RT van de personen zonder stoornis significant
korter is dan de RT van de personen uit de andere twee groepen, ongeacht de
instructievorm. De personen met het DS hebben een significant kortere RT dan
de personen met een OOS wanneer er visuele instructies worden gegeven. Het
omgekeerde zien we bij verbale instructies. Deze resultaten komen overeen met
vroeger onderzoek in 1991. De resultaten met betrekking tot de BT in de
eerste fase zijn analoog aan die van de RT. We zien wel een leereffect: de BT
daalt naarmate het aantal pogingen stijgt. Tijdens
de tweede fase (nagaan of er motorisch leren optreedt) zien we geen verschil
tussen verbale en visuele instructies voor wat betreft RT bij de personen met
het DS. Hieruit kunnen we besluiten dat het probleem bij het uitvoeren van
een motorische vaardigheid op basis van een verbale instructie zich niet
heeft doorgezet naar het motorisch leren op vlak van RT. De personen zonder
stoornis bleven wel nog steeds sneller dan de personen uit de twee andere
groepen. Wanneer we de BT in beschouwing nemen, zien we dat de personen met
het DS beter presteren na een visuele instructie. Dit valt vooral op na 24
uur. We zien dus een efficiëntere manier van motorisch leren bij visuele
instructies in vergelijking met het motorisch leren na verbale instructies.
We zien eveneens dat de personen met DS en met OOS die tijdens de eerste fase
visuele instructies kregen beter lukken in het uitvoeren van de vaardigheid
aan de hand van de andere instructiemethode (hier de verbale), in
vergelijking met diegenen die in de eerste fase verbale en in de tweede fase
visuele instructies kregen. De
ideale manier om instructies te geven voor het uitvoeren van een beweging, is
met andere woorden tijdens de aanleerfase de visuele manier. Personen met het
DS zijn echter in staat om tot 24 uur na het aanleren, het bewegingspatroon
op een zelfde prestatieniveau uit te voeren wanneer zij dan verbale
instructies krijgen. Zij zijn dus in staat om de transfer van visuele naar verbale
instructies te maken, zonder daarom minder goed te presteren. Vertaald
en samengevat door: Frauke BRUYNOOGHE |