PHYSICAL FITNESS AND PHYSICAL SELF-CONCEPT IN NON-PSYCHOTIC PSYCHIATRIC PATIENTS

Comparison of the improvements following two different psychomotor therapy programs

 

 

Jan KNAPEN

Doctoraat in de Motorische Revalidatie en Kinesitherapie, K.U.Leuven

Psychomotorisch therapeut Universitair Centrum Sint-Jozef Kortenberg

Vrijwillig wetenschappelijk medewerker, Departement Revalidatiewetenschappen, K.U.Leuven

 

Promotoren

Prof. Dr. H. Van Coppenolle, Faculteit Lichamelijke Opvoeding en Kinesitherapie

Prof. Dr. J. Peuskens, Faculteit Geneeskunde

 

 

 

Onderzoek geeft aan dat mensen die lijden aan psychische aandoeningen zoals depressie en/of angststoornissen over het algemeen fysiek minder actief zijn dan de doorsnee bevolking (Meyer & Broocks, 2000). De oorzaken van dit laag activiteitsniveau zijn inherent aan deze ziektebeelden. Verschillende symptomen van het depressief syndroom zoals een verlies aan energie, interesse en motivatie, gevoelens van waardeloosheid, veralgemeende vermoeidheid en in sommige gevallen een gewichtstoename zijn rechtstreeks gerelateerd aan een sedentaire levensstijl en indirect aan een verzwakte cardiorespiratorische fitheid en somatische gezondheidsproblemen. Depressieve patiënten hebben een hoger relatief risico voor cardiovasculaire aandoeningen en osteoporose dan de doorsnee populatie (Dinan, 1999; Osborn, 2001).

Personen die lijden aan angststoornissen vermijden vaak fysieke inspanningen o.w.v. de arousal die hiermee gepaard gaat, wat leidt tot een fysieke deconditionering (Broocks et al., 1997). Het systematisch vermijden van fysieke inspanningen is naast andere risicofactoren verantwoordelijk voor de hoge incidentie van cardiovasculaire stoornissen en cerebrovasculaire accidenten bij personen met angststoornissen (Weissman et al., 1990).

Op psychologisch vlak worden depressieve- en angststoornissen gekarakteriseerd door een lage algemene en lichamelijke zelfwaardering (Van de Vliet et al., 2002).

De negatieve lichamelijke zelfwaardering, de zwakke fysieke fitheid en lichamelijke gezondheidstoestand, in interactie met symptomen zoals energie en motivatieverlies, algemene vermoeidheid, psychosomatische klachten en laag gevoel van persoonlijke controle omtrent fitheid en gezondheid kunnen ertoe leiden dat deze personen in een vicieuze cirkel terecht komen.

 


 

Psychomotorische therapie tracht deze neerwaartse spiraal te doorbreken en stapsgewijs om te buigen in positieve richting. Deze behandelingsmethode neemt het bewegen en de lichamelijkheid als aanknopingspunten van haar benadering.

In eigen doctoraatsonderzoek onderzochten wij de effectiviteit van psychomotorische therapie (Knapen, 2003).

Het eerste onderzoeksdoel was het nagaan de betrouwbaarheid van een aangepaste versie van een bestaande cardio-respiratorische inspanningsproef en een schaal die de perceptie van vermoeidheid evalueert. De aangepaste versie van de fietsproef van Franz heeft een goede test-retestbetrouwbaarheid. De Borg CR 10 scale, een schaal die de perceptie van vermoeidheid evalueert, heeft een matige test-retestbetrouwbaarheid. Mogelijke verklaringen voor deze slechts matige betrouwbaarheid zijn het laag fysiek activiteitsniveau, en de depressieve- en angstklachten die de perceptie van vermoeidheid kunnen beïnvloeden.   

Het tweede deel van de studie was een gerandomiseerde trial naar de effectiviteit van de twee vormen van psychomotorische therapie op de fysieke fitheid en de lichamelijke zelfwaardering. Wij vergeleken twee vormen van psychomotorische therapie: een specifiek fitnessprogramma bestaande uit kracht- en uithoudingstraining, en een gevarieerd programma bestaande uit diverse sport- en spelsituaties, bewegings- en  lichamelijkheidsopdrachten en relaxatietraining.

Tevens werd de samenhang tussen de verbetering in fysieke fitheid en de verbetering in lichamelijke zelfwaardering nagegaan. Verder onderzochten we de associatie tussen de verbetering in de lichamelijke zelfwaardering en de verhoging van de algemene zelfwaardering, en de reductie van depressie en angst. 

Patiënten die een specifiek fitnessprogramma (kracht- en uithoudingstraining) volgen, verbeteren zowel hun spierkracht als hun cardio-respiratorische fitheid. Patiënten die deelnemen aan een gevarieerd programma (diverse sport- en spelsituaties, bewegings- en  lichamelijkheidsopdrachten en relaxatietraining) verbeteren uitsluitend hun spierkracht.

Wat lichamelijke zelfwaardering betreft gaan beide groepen er evenveel op vooruit, en hebben beide vormen van psychomotorische therapie dus een gelijkwaardig effect. De verbetering van de lichamelijke zelfwaardering is echter niet gerelateerd aan een verbetering van de fysieke fitheid. Fysieke trainingseffecten zijn dus niet noodzakelijk voor een verbetering van de lichamelijke zelfwaardering.

De hogere lichamelijke zelfwaardering is geassocieerd een positievere algemene zelfwaardering en een vermindering van angst en depressieve symptomen. Deze samenhang ondersteunt de potentiële rol van de lichamelijke zelfwaardering in het herstelproces van deze patiënten.  

De inleiding bevat een literatuuroverzicht, probleemstelling, de verantwoording van het onderzoek en een formulering van de onderzoeksdoelen. De vijf hoofdstukken zijn een bundeling van artikels (één reeds gepubliceerd, 3 aanvaard voor publicatie en één ingediend voor publicatie). Elk hoofdstuk sluit af met aanbevelingen voor de klinische praktijk met inbegrip van motiverende strategieën en strategieën ter bevordering van de lichamelijke zelfwaardering. De discussie is een kritische bespreking en integratie van de belangrijkste resultaten van de 5 deelstudies. Tenslotte formuleren de onderzoekers ‘evidence based guidelines for psychomotor therapy’.      

Het doctoraatsproefschrift bevat een uitgebreide Engels- en Nederlandstalige bibliografie van de auteur.

 

 

Geraadpleegde literatuur

 

Broocks, A., Meyer, T.F., Bandelow, B., George, A., Bartmann, U., Rüther, E., & Hillmer-Vogel, U. (1997). Exercise avoidance and impaired endurance capacity in patients with panic disorders. Neuropsychobiology, 36, 182-187.

Dinan, T.G. (1999). The physical consequences of depressive illness. Include coronary artery disease and reduced bone mineral density. British Medical Journal, 318, 826.

Knapen, J. (2003). Physical fitness and physical self-concept in non-psychotic psychiatric patients. Comparison of the improvements following two different psychomotor therapy programs. Doctoraatsproefschrift Motorische Revalidatie en Kinesitherapie, K.U.Leuven.

Meyer, T., & Broocks, A. (2000). Therapeutic impact of exercise on psychiatric diseases: Guidelines for exercise testing and prescription. Sports Medicine, 30, 269-279.

Osborn, D.P. (2001). The poor physical health of people with mental illness. Western Journal of Medicine, 175, 329-332.

Van de Vliet, P., Knapen, J., Onghena, P., Fox, K., Van Coppenolle, H., David, A., Pieters, G., & Peuskens, J. (2002). Assessment of physical self-perceptions in normal Flemish adults versus depressed psychiatric patients. Personality and Individual Differences, 32, 855-863.

Weissman, M., Markowitz, J., Ouelette, R., Greenwald, S., & Kahn, J. (1990). Panic disorder and cardiovascular/cerebrovascular problems: results from a community survey. American Journal of Psychiatry, 147, 1504-1508.

 

 

Dr. J. Knapen

Psychomotorisch therapeut - stageleider psychomotorische therapie, K.U.L.

Universitair centrum St. Jozef

Leuvensesteenweg 517

3070 Kortenberg

tel: 02/7580583

e-mail: jan.knapen@flok.kuleuven.ac.be